Wanneer de late herfst van 1773 het Limburgse landschap in een ijskoude wintermist hult, vervaagt de grens tussen de levenden en de doden. Net zoals de Witte Wieven die uit de mistflarden van de heide opstijgen, zo gleden destijds honderden Bokkenrijders geruisloos door de gure winternachten. In de volksmond waren zij geen gewone dieven, maar een angstaanjagend leger aan de hemel.
Of een herrijzenis van de bloeddorstige Walkuren die ooit boven de Duitse Harz zweefden op zoek naar de gevallenen. De bittere honger dreef bijna vijfhonderd verschoppelingen tot wanhoopsdaden, maar de bijgelovige bevolking hoorde in de gierende winterwind de hoeven van de duivel.
Wat volgde was een gitzwarte heksenjacht, groter en wreder dan de regio ooit had gekend. Kerkers puilden uit en honderden onschuldigen bekenden onder brute marteling hun vermeende vluchten door de nacht, totdat de galgenvelden zwart zagen van de lichamen.
Pas toen de winter van 1776 week, loste de massahysterie op, maar de mystieke schaduw van deze honderden vervolgde zielen blijft voor altijd in de wintermist hangen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten