De zinderende hitte van de zomer hangt zwaar boven ons land. Augustus is aangebroken, de maand waarin de zon als een koning op zijn troon zit en de aarde overgiet met een felle, gouden energie. De bevolking zoekt de schaduw op, maar diep van binnen voelt iedereen een onrustige tinteling. De kosmische Leeuwenpoort staat wijd open en een onzichtbare sluis van puur licht dwingt ons om recht in de spiegel te kijken. Wie ben je echt als alle maskers afvallen is de prangende vraag.
Halverwege de maand houdt de wereld plotseling haar adem in. Overdag wordt het sissend donker wanneer de maan traag voor de zon schuift. Een diepe zonsverduistering werpt een mysterieuze schaduw over het land. Dit voelt als een kosmische adempauze, een resetknop die met een luide klik wordt ingedrukt. Oude zekerheden brokkelen in het duister geruisloos af. Maar het echte vuurwerk komt aan het einde van de maand. In de kosmische coulissen staat Vulcanus op, de grote smid van de goden. Hij kijkt naar de intense hitte die de zon en de verduistering achterlaten ofwel het vloeibare, ruwe materiaal van de menselijke ziel. Vulcanus stroopt zijn mouwen op, neemt zijn zware, hemelse hamer in de hand en blaast het vuur in zijn smidse hoog op.
Rond de naderende maansverduistering slaat hij genadeloos toe. De trillingen zijn voelbaar in de lucht als verre donderslagen. Mensen reageren met plotselinge, vurige emoties. De innerlijke vulkanen barsten uit omdat men te lang de eigen waarheid heeft ingehouden. Maar Vulcanus slaat niet om te vernielen. Hij slaat om te vormen. Wat slap en onoprecht is, wordt weg gehamerd. Wat puur en authentiek is, wordt onder de hoge druk gesmeed tot glanzend goud.
Wanneer de maand ten einde loopt en de nachtelijke hemel oplicht met een hoeveelheid vallende sterren, gaat de storm langzaam liggen. De zware hitte maakt plaats voor de frisse, heldere lucht van de vroege herfst. We kijken elkaar aan en zien dat er iets is veranderd. We zijn lichter, sterker en klaar voor een nieuw begin. Gesmeed door het vuur van augustus.

