zondag 23 augustus 2026

Vulcanalia



De augustuszon brandde onbarmhartig boven het Forum Romanum. Buiten de heilige stadsmuren, bij het openluchtaltaar van het Volcanal, dromde de menigte samen.
 Het was de drieëntwintigste dag van de maand: de Vulcanalia was aangebroken.
 De hitte in de stad was verstikkend en de angst voor een allesverwoestende brand hield de Romeinen opvallend in haar greep.


 Graanschuren stonden boordevol geoogst koren. Immers, één vonk van de vuurgod kon alles in de as leggen. De priester streek met zijn hand over de ruwe steen van het altaar en prevelde een bezwering. 

Mannen en vrouwen stapten naar voren met offers in hun handen. Kleine, spartelende vissen, vers gevangen uit de Tiber, werden in de laaiende vuren geworpen. ‘Neem dit leven, Vulcanus, en spaar onze huizen’, klonk het monotoon door de rook. Het knisperen van de offers mengde zich met het verre, doffe gerommel van de aarde. Zelfs de keizer had die ochtend nog offers gebracht om de grillige godheid gunstig te stemmen. Iedereen wist dat de smid onder de Etna druk doende was en dat hij door zijn woede steden kon verzwelgen. 

De rookpluimen stegen recht omhoog naar de strakblauwe hemel, als een breekbaar pact tussen mens en vuur. 

De vlammen doofden langzaam en lieten slechts gloeiende as achter. Voor dit jaar was de destructieve kracht van de god getemd, zo hoopten de Romeinen vurig.

Immers diep onder de Etna gonsde een helse wereld. Rode lavastromen verlichtten de gigantische, duistere grot. Oorverblindend lawaai van zware hamerslagen denderde rond. Samen met de eenogige Cyclopen zweette de misvormde god. Reusachtige blaasbalgen joegen de temperatuur angstaanjagend hoog op. Elke klap op het aambeeld deed de aarde boven hen trillen.
Werd de oven te heet, dan spuwde de vulkaan vuur en as. Bovengronds hielden de stervelingen hun adem in. In deze diepte heerste de brute, destructieve kracht. Vulcanus regeerde over de flinterdunne grens van totale chaos.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten