Het varkensvet in het stenen potje rook muf, doordrenkt met de bittere geur van wolfskers en gedroogde bilzekruid. Joost keek met trillende vingers naar zijn broer Mees. Buiten gierde de wind over de Limburgse heuvels, diep in het holst van de nacht op Oostenrijks grondgebied.
"Smeer het op je polsen en in je nek," fluisterde Mees, terwijl hij zijn eigen armen hardhandig inwreef met het groenige goedje. "Zonder de zalf pakt de bok je niet. Dan blijf je aan de grond genageld als een lamme os, terwijl de schout op de loer ligt." Joost slikte de brok in zijn keel weg. Ze waren geen moordenaars. Ze waren wevers met lege magen. Hun kinderen schreeuwden al weken om brood en de heren van de schepenbank hieven alleen maar méér belasting. De bende had goud beloofd. Goud dat verborgen lag in de rijke abdij, mijlenver over de grens.
Hij doopte zijn vingers in de vliegzalf. De substantie voelde ijskoud aan op zijn huid, maar al snel begon zijn nek heet te gloeien. Zijn hart sloeg op hol.
"Spreek de eed," commandeerde Mees, wiens ogen in het kaarslicht plotseling onnatuurlijk groot leken. Joost sloot zijn ogen en prevelde de verboden woorden: "Over huis, over tuin, over staak, en dat tot Keulen in de wijnkelder!"
De wereld begon te tollen. De muren van de armoedige leemhut leken vloeibaar te worden. Joost voelde een intense gewichtloosheid in zijn benen. De grond onder zijn voeten verdween. Met een harde ruk werd hij meegezogen, de gitzwarte nacht in. Hij vloog. Onder hem gleden de daken van Schinveld voorbij als kleine speelgoedblokjes. De wind sneed in zijn gezicht, en vlak naast hem hoorde hij het zware, ritmische snuiven van een gedaante met enorme, gekromde horens. Een zwarte bok droeg hem door de wolken, sneller dan de storm. In de verte glansde de Maas als een zilveren lint en aan de horizon glimpten de spitse torens van Keulen al in het maanlicht. Geen honger meer. Geen schout. Alleen de absolute vrijheid van de lucht.
Met een luide klap sloeg de zware houten deur van de kerker dicht.
Joost schrok wakker. De ijzige wind en de vliegende bok waren verdwenen. Hij lag op de ijskoude, vochtige stenen vloer van de schepenbank in Valkenburg. Zijn hele lichaam deed pijn. Aan de muur hingen de ijzeren kettingen en de duimschroeven van de beul nog na te zwaaien.
In de hoek zat Mees, lijkbleek en met gebroken vingers. De schout stapte naar voren, een glimlach op zijn gezicht en een ganzenveer in zijn hand. "Dus," sprak de schout met een ijzige stem, "je bekent dat je met de duivel op een bok naar Keulen bent gevlogen met behulp van de heksenzalf?"
Joost keek naar de pijnbank en toen naar zijn broer. De hallucinatie van de zalf was allang uitgewerkt, maar de bittere realiteit was begonnen.





















