maandag 22 juni 2026

Veranderende machten


Begin dit jaar deed ik op dit kanaal al kond van de maatschappelijke veranderingen, maar bovenal van het grote geopolitieke spel. De conjunctie van de planeten Saturnus en Neptunus op exact nul graden gaf aan dat er wel degelijk verschuivingen zouden plaatsvinden. En zo geschiedde: na een hegemonie van 109 jaar door de Verenigde Staten – die in 1917 met eenzelfde conjunctie begon – is dat tijdperk nu verleden tijd. Het Midden-Oosten, met Israël recht tegenover Iran, Pakistan en China, bepaalt nu wat er gaat gebeuren. Net als bij de planeten zijn in de numerologie de cijfers veelzeggend genoeg, met de 9 als sluitstuk: de voltooiing of afsluiting van een periode.

We zien een complete wijziging van de geopolitieke omstandigheden. Juist omdat Saturnus en Neptunus op exact nul graden stonden, geeft dit aan dat de dynamiek nog lang niet is uitgewoed. Rond 21 juli van dit jaar bereikt deze spanning een nieuw hoogtepunt wanneer Jupiter en Pluto de kosmische toon zetten. Zij werken hierin als een katalysator en geven extra kracht aan de strijd om de wereldmacht. De unipolaire wereld met de VS maakt plaats voor een multipolaire orde waarin China de spil wordt. Immers, de Verenigde Staten hebben op alle fronten bakzeil moeten halen in het conflict met Iran, en mogen van geluk spreken met de vasthoudendheid van Israël. Iran legt nu de regels op aan de VS, die als verliezer na 109 jaar met de staart tussen de benen afdruipt. 



De toekomst is aan Iran, Pakistan en China, met hun onomkeerbare, strategische handelsroutes. Deze planetaire uitlijning is wel uiterst zeldzaam. Aan het begin van de 16e eeuw vond een vergelijkbare constellatie plaats, waarna de Zijderoute transformeerde. 

Nu loopt deze nieuwe route dood bij de grenzen van de Europese Unie. De keuze is aan Brussel, want de EU is momenteel te zwak of te verdeeld om een mondiale speler te zijn. De Unie zal wel móéten besluiten om met China samen te werken binnen dit veelbelovende, mondiale en technocratische netwerk.

Of de gevestigde westerse orde het nu leuk vindt of niet: de overgang naar Pluto in Waterman is ingezet. Net als in de roerige jaren zestig, toen de buitenplaneten de aardse verhoudingen ook al stevig aan de tand voelden, staan we aan de vooravond van een onomkeerbare cultuuromslag. De oude machten kunnen proberen de controle te behouden door vast te houden aan traditionele olie- en gaslijnen, maar de stroom zoekt in het nieuwe netwerktijdperk allang zijn eigen weg. Het is de ultieme kosmische herhaling van de profetische woorden van Bob Dylan: The times they are a-changin’. Wie nu niet meezwemt, zinkt als een steen.

zondag 21 juni 2026

Tussen Stonehenge en Wéris


Traditioneel is 21 juni de langste dag van het jaar en dat is ditmaal niet anders. Het zomersolstitium valt ditmaal om 10.25 uur in de ochtend. Dan bereikt de zon het meest noordelijkste punt ten opzichte van de aarde. 
Voor wie de zon ziet opkomen, wordt de ongelooflijke precisie van onze voorouders zichtbaar.  

De megalithische stenen van het Engelse Stonehenge en het Belgische Wéris staan over een afstand van tientallen kilometers in één perfecte lijn met de opgaande zon.

In Wéris wordt dit astronomische vernuft geflankeerd door duistere legendes. Hoog op de heuvelrug waakt de Pierre Haina, ook wel de 'Steen der Voorouders' genoemd. Volgens de overlevering fungeert deze rots als een kurk op een schacht die rechtstreeks naar de hel leidt. Om de duivel beneden te houden, kalken de bewoners van Wéris de steen jaarlijks wit - een kleur waar de duivel een diepe afkeer van zou hebben. 

Vlakbij ligt het Bed van de Duivel (Lit du Diable), een plat rotsblok met een natuurlijke hoofdsteun. Hier zou de duivel uitrusten van zijn nachtelijke wandelingen voordat hij bij het ochtendgloren weer door de schacht onder de witte steen naar de onderwereld verdwijnt. De kortste nacht blijft zo een magisch samenspel van licht en duisternis.

donderdag 18 juni 2026

Het Vonnis van de Schepenbank

De rechtszaal van de schepenbank in Valkenburg ademde de geur van natte kleding, brandend kaarsvet en angst. Achter een zware eikenhouten tafel zaten de schepenen: rijke, onwrikbare heren in statige zwarte gewaden. Aan het hoofd zat de schout, zijn blik koel en triomfantelijk. De bekentenis was immers binnen. Joost en Mees stonden blootsvoets voor de tafel, hun lichamen getekend door de dagen in de kerker. De grendels van de duimschroeven hadden hun diepe sporen achtergelaten. "Joost van Schinveld," las de griffier met monotone stem voor van de perkamenten rol. 

"Gij hebt bekend de goddeloze eed te hebben gezworen. Gij hebt bekend te rijden op de satansbokken naar de wijnkelders van Keulen. En gij hebt bekend, tezamen met de bende van de gevreesde Zwarte Kapitein, de heilige goederen van de abdij te hebben ontvreemd."
"Ik had honger, heer..." prevelde Joost met droge lippen. "Mijn kinderen..."

"Stilte!" snauwde de schout. "De honger van het lichaam rechtvaardigt de verkoop van de ziel aan de duivel niet. Maar de schepenbank is genadig. Omdat gij de namen van uw medeplichtigen hebt genoemd, zal de beul u een bittere dood op de brandstapel besparen."

Joost keek opzij naar Mees. Zijn broer staarde wezenloos voor zich uit. Onder de brute martelingen van de voorbije nacht had Joost de namen van zijn neven en de smid uit het dorp genoemd. Een leugen, puur om de ijzeren scheenbeengesp van de beul te laten stoppen. Het schuldgevoel brandde harder in zijn borst dan de pijn in zijn ledematen.

 

De schout stond op en hief de staf van justitie. "Het vonnis is geveld. Gij zult worden overgebracht naar de galgenberg op de hei. Aldaar zult gij door de scherprechter met het koord aan de galg worden verhangen, tot de dood er op volgt. Uw lichamen zullen blijven hangen als lokaas voor de vogels en als afschrikwekkend voorbeeld voor eenieder die de wetten van de Keizer en God tart." Mees begon zachtjes te huilen. 

Joost sloot zijn ogen. De hallucinatie van de vliegzalf was een mooie droom geweest. De werkelijkheid van het Oostenrijkse recht was een ijskoude strop.
 Toen ze door de wachters de rechtbank uit werden gesleept, zag Joost in de schaduw van de gang een man met een zwarte hoed staan. De man knikte hen nauwelijks merkbaar toe. Was het de échte kapitein? Of was het de schim van de duivel, die lachend toekeek hoe de rechters het moordwerk voor hem opknapten?

dinsdag 16 juni 2026

De Vlucht over het Groene Graf

Het varkensvet in het stenen potje rook muf, doordrenkt met de bittere geur van wolfskers en gedroogde bilzekruid. Joost keek met trillende vingers naar zijn broer Mees. Buiten gierde de wind over de Limburgse heuvels, diep in het holst van de nacht op Oostenrijks grondgebied.
"Smeer het op je polsen en in je nek," fluisterde Mees, terwijl hij zijn eigen armen hardhandig inwreef met het groenige goedje. "Zonder de zalf pakt de bok je niet. Dan blijf je aan de grond genageld als een lamme os, terwijl de schout op de loer ligt." Joost slikte de brok in zijn keel weg. Ze waren geen moordenaars. Ze waren wevers met lege magen. Hun kinderen schreeuwden al weken om brood en de heren van de schepenbank hieven alleen maar méér belasting. De bende had goud beloofd. Goud dat verborgen lag in de rijke abdij, mijlenver over de grens.
Hij doopte zijn vingers in de vliegzalf. De substantie voelde ijskoud aan op zijn huid, maar al snel begon zijn nek heet te gloeien. Zijn hart sloeg op hol.
"Spreek de eed," commandeerde Mees, wiens ogen in het kaarslicht plotseling onnatuurlijk groot leken. Joost sloot zijn ogen en prevelde de verboden woorden: "Over huis, over tuin, over staak, en dat tot Keulen in de wijnkelder!"

De wereld begon te tollen. De muren van de armoedige leemhut leken vloeibaar te worden. Joost voelde een intense gewichtloosheid in zijn benen. De grond onder zijn voeten verdween. Met een harde ruk werd hij meegezogen, de gitzwarte nacht in. Hij vloog. Onder hem gleden de daken van Schinveld voorbij als kleine speelgoedblokjes. De wind sneed in zijn gezicht, en vlak naast hem hoorde hij het zware, ritmische snuiven van een gedaante met enorme, gekromde horens. Een zwarte bok droeg hem door de wolken, sneller dan de storm. In de verte glansde de Maas als een zilveren lint en aan de horizon glimpten de spitse torens van Keulen al in het maanlicht. Geen honger meer. Geen schout. Alleen de absolute vrijheid van de lucht.

Met een luide klap sloeg de zware houten deur van de kerker dicht.
Joost schrok wakker. De ijzige wind en de vliegende bok waren verdwenen. Hij lag op de ijskoude, vochtige stenen vloer van de schepenbank in Valkenburg. Zijn hele lichaam deed pijn. Aan de muur hingen de ijzeren kettingen en de duimschroeven van de beul nog na te zwaaien.
In de hoek zat Mees, lijkbleek en met gebroken vingers. De schout stapte naar voren, een glimlach op zijn gezicht en een ganzenveer in zijn hand. "Dus," sprak de schout met een ijzige stem, "je bekent dat je met de duivel op een bok naar Keulen bent gevlogen met behulp van de heksenzalf?"
Joost keek naar de pijnbank en toen naar zijn broer. De hallucinatie van de zalf was allang uitgewerkt, maar de bittere realiteit was begonnen.

zaterdag 13 juni 2026

Oorlog in de kapel



Terwijl de angst voor de duivelse ruiters de nachten beheerste, zocht het achttiende-eeuwse volk overdag wanhopig naar goddelijke tegenmacht. De koortsachtige Mariaverering bereikte in deze decennia haar absolute kookpunt. Pelgrims stroomden bij honderden naar miraculeuze beelden en heilige bronnen om redding af te dwingen van Maria, de Koningin van de hemel. 

Er deden verhalen de ronde over opzienbarende wonderen, blinden die weer zagen en doodzieken die genazen na een gebed bij Onze Lieve Vrouw als tastbaar bewijs dat God zijn volk niet had verlaten. 
Maar de Bokkenrijders zochten de confrontatie met het heilige juist op. In de schaduw van de nacht verzamelden zij zich in afgelegen heiligdommen, zoals de achthoekige Mariakapel in Urmond. Volgens de gitzwarte overlevering eisten de bendeleiders daar een heiligschennende eed: nieuwe leden moesten met hun voet op het beeld van Maria gaan staan om God en al zijn heiligen plechtig af te zweren. Zo werden de Limburgse kapelletjes het bloedige decor van een spirituele oorlog, waarin de vrome hoop op een Maria-wonder rechtstreeks botste met de duistere, menselijke realiteit van de Bokkenrijders.

donderdag 11 juni 2026

De gitzwarte massahysterie



Achter deze 18e-eeuwse tragedie schuilt een eeuwenoud, onderhuids geloof dat dieper zit dan de christelijke buitenkant doet vermoeden. De angst voor de honderden Bokkenrijders die in de winterperiode door de lucht zouden razen, is rechtstreeks afkomstig aan de Germaanse Wilde Jacht. 


In die oeroude mythe was het de alvader Odin met zijn onafscheidelijke raven die tijdens de stormachtige winternachten op zijn achtbenige paard Sleipnir door de Asgard reed. Geflankeerd door Walkuren en de zielen van de doden. Het waren dezelfde geesten die men later als Witte Wieven in de mist meende te zien. Toen de hongerwinter van 1773 aanbrak, smolt deze heidense folklore in de hoofden van de Limburgers samen met een koortsachtige, religieuze massahysterie. 

Dezelfde intense, emotionele overgave waarmee het volk in grote processies Maria aanriep voor redding, sloeg door de paniek om in een blinde heksenjacht. Men zocht bezeten naar zondebokken voor de rampspoed; de duivel moest tastbaar gemaakt en uitgeroeid worden. Zo werden de arme, menselijke plunderaars in de collectieve psyché verheven tot de demonische ruiters van Odin, met een bloedige massavervolging tot gevolg. 

zaterdag 6 juni 2026

Mythische schaduwen in de wintermist

Wanneer de late herfst van 1773 het Limburgse landschap in een ijskoude wintermist hult, vervaagt de grens tussen de levenden en de doden. Net zoals de Witte Wieven die uit de mistflarden van de heide opstijgen, zo gleden destijds honderden Bokkenrijders geruisloos door de gure winternachten. In de volksmond waren zij geen gewone dieven, maar een angstaanjagend leger aan de hemel. 

Of een herrijzenis van de bloeddorstige Walkuren die ooit boven de Duitse Harz zweefden op zoek naar de gevallenen. De bittere honger dreef bijna vijfhonderd verschoppelingen tot wanhoopsdaden, maar de bijgelovige bevolking hoorde in de gierende winterwind de hoeven van de duivel. 
Wat volgde was een gitzwarte heksenjacht, groter en wreder dan de regio ooit had gekend. Kerkers puilden uit en honderden onschuldigen bekenden onder brute marteling hun vermeende vluchten door de nacht, totdat de galgenvelden zwart zagen van de lichamen. 
Pas toen de winter van 1776 week, loste de massahysterie op, maar de mystieke schaduw van deze honderden vervolgde zielen blijft voor altijd in de wintermist hangen.