Terwijl de angst voor de duivelse ruiters de nachten beheerste, zocht het achttiende-eeuwse volk overdag wanhopig naar goddelijke tegenmacht. De koortsachtige Mariaverering bereikte in deze decennia haar absolute kookpunt. Pelgrims stroomden bij honderden naar miraculeuze beelden en heilige bronnen om redding af te dwingen van Maria, de Koningin van de hemel.
Er deden verhalen de ronde over opzienbarende wonderen, blinden die weer zagen en doodzieken die genazen na een gebed bij Onze Lieve Vrouw als tastbaar bewijs dat God zijn volk niet had verlaten. Maar de Bokkenrijders zochten de confrontatie met het heilige juist op. In de schaduw van de nacht verzamelden zij zich in afgelegen heiligdommen, zoals de achthoekige Mariakapel in Urmond. Volgens de gitzwarte overlevering eisten de bendeleiders daar een heiligschennende eed: nieuwe leden moesten met hun voet op het beeld van Maria gaan staan om God en al zijn heiligen plechtig af te zweren. Zo werden de Limburgse kapelletjes het bloedige decor van een spirituele oorlog, waarin de vrome hoop op een Maria-wonder rechtstreeks botste met de duistere, menselijke realiteit van de Bokkenrijders.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten