De rechtszaal van de schepenbank in Valkenburg ademde de geur van natte kleding, brandend kaarsvet en angst. Achter een zware eikenhouten tafel zaten de schepenen: rijke, onwrikbare heren in statige zwarte gewaden. Aan het hoofd zat de schout, zijn blik koel en triomfantelijk. De bekentenis was immers binnen. Joost en Mees stonden blootsvoets voor de tafel, hun lichamen getekend door de dagen in de kerker. De grendels van de duimschroeven hadden hun diepe sporen achtergelaten. "Joost van Schinveld," las de griffier met monotone stem voor van de perkamenten rol.
"Gij hebt bekend de goddeloze eed te hebben gezworen. Gij hebt bekend te rijden op de satansbokken naar de wijnkelders van Keulen. En gij hebt bekend, tezamen met de bende van de gevreesde Zwarte Kapitein, de heilige goederen van de abdij te hebben ontvreemd."
"Ik had honger, heer..." prevelde Joost met droge lippen. "Mijn kinderen..."
"Stilte!" snauwde de schout. "De honger van het lichaam rechtvaardigt de verkoop van de ziel aan de duivel niet. Maar de schepenbank is genadig. Omdat gij de namen van uw medeplichtigen hebt genoemd, zal de beul u een bittere dood op de brandstapel besparen."
Joost keek opzij naar Mees. Zijn broer staarde wezenloos voor zich uit. Onder de brute martelingen van de voorbije nacht had Joost de namen van zijn neven en de smid uit het dorp genoemd. Een leugen, puur om de ijzeren scheenbeengesp van de beul te laten stoppen. Het schuldgevoel brandde harder in zijn borst dan de pijn in zijn ledematen.
De schout stond op en hief de staf van justitie. "Het vonnis is geveld. Gij zult worden overgebracht naar de galgenberg op de hei. Aldaar zult gij door de scherprechter met het koord aan de galg worden verhangen, tot de dood er op volgt. Uw lichamen zullen blijven hangen als lokaas voor de vogels en als afschrikwekkend voorbeeld voor eenieder die de wetten van de Keizer en God tart." Mees begon zachtjes te huilen.
Joost sloot zijn ogen. De hallucinatie van de vliegzalf was een mooie droom geweest. De werkelijkheid van het Oostenrijkse recht was een ijskoude strop. Toen ze door de wachters de rechtbank uit werden gesleept, zag Joost in de schaduw van de gang een man met een zwarte hoed staan. De man knikte hen nauwelijks merkbaar toe. Was het de échte kapitein? Of was het de schim van de duivel, die lachend toekeek hoe de rechters het moordwerk voor hem opknapten?

Geen opmerkingen:
Een reactie posten