Op 28 oktober rond de naamdag van de heiligen Simon en Judas nadert steevast de eerste winterkou. De boeren sluiten de zware staldeuren om hun vee te beschermen tegen wat komen gaat. Waar de IJsheiligen in mei aankondigden dat de winter definitief voorbij was, brengen de IJsduivels nu juist de bittere kou met zich mee. Deze dekselse demonen zijn het spiegelbeeld van de lente heiligen. Zij luiden niet het jonge leven in, maar brengen de natuur in haar diepe winterslaap. Het volksgeloof is daarin onverbiddelijk: "Met IJsheiligen naar buiten, met IJsduivels naar binnen."
Vanaf 28 september tot aan Allerzielen (2 november) schuift de poort naar de onderwereld op een kier. De weergoden sturen hun koudste dienaars op pad om de aarde gereed te maken voor de winter. Buiten loeit een plotselinge, ijzige storm die de laatste bladeren met geweld van de bomen rukt. Het zijn de IJsduivels die op de toppen van de gure noordwestenwind rijden. Waar hun ijzige adem de grond raakt, wijkt het laatste groen en verandert het gras in glasharde, ijzige naalden.
Witte mistflarden zweven als mysterieuze geesten met onzichtbare zeisen over de velden. Een reiziger die vannacht te laat op pad is en verdwaalt in de plotselinge nevels, hoort een schel, spottend gelach om zich heen. De mist grijpt hem bij de keel, sluit zich als een kille deken om zijn borst en verdrijft de laatste zomerglorie uit zijn lijf. Pas als de zon op Allerzielen eindelijk de mist verdrijft, is het rijk van de winter definitief begonnen. Want als Simon en Judas henen gaan, dan komt de winter er direct aan.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten